Excursie naar Gent

 

9 november 2008



Zondag 9 november 2008 bezocht een complete buslading bestaande uit 50 'Vrienden van het Bonnefantenmuseum" de Belgische stad Gent voor een rondleiding door het Museum voor Schone Kunsten gericht op de kunst in Sint-Martens-Latem - de 'Latemse school' - als ochtendprogramma; 's middags bezochten deze vrienden het Design museum aldaar. Een enkeling maakte ook nog gebruik van de mogelijkheid het "Lam Gods" uit 1432, de polyptiek geschilderd door Jan van Eyck en zijn oudere broer Hubert, te gaan zien dat zich bevindt zich in de Sint-Baafskathedraal.


De organisatie was in handen van Ed van Lamoen en Trees Jacobs, welke laatste in de bus een uitgebreide introductie betreffende de 'Latemse school' verzorgde.


Gids Damien Deceuninck gaf een interessante en op een positieve persoonlijk getinte wijze inhoud aan de rondleiding:

Kunst aan de Leie betekent voor velen de 'Latemse school', maar dit doet onvoldoende recht aan een streek die zoveel rijker is aan cultuur. In de eerste plaats moeten we het woord 'school' in Latem wel zeer ruim opvatten. Bovendien is niet alles te herleiden tot schilders en beeldhouwers – er zijn ook de dichters, de romanciers, de dromers van een betere wereld –, en evenmin blijft het hele gebeuren beperkt tot Latem of tot één bepaalde periode in de kunstgeschiedenis.
Het zijn evenwel de laatste decennia van de 19de eeuw en het begin van de vorige eeuw die de kunst aan de Leie naam en faam bezorgen. En typerend voor het België van de 19de eeuw: een eerste impuls komt uit Frankrijk. De Gentenaar – we zullen bij herhaling moeten vaststellen dat veel Latemse kustenaars in feite Gentenaars zijn – Xavier de Cock trekt naar Barbizon, een onooglijk dorp aan de rand van het bos van Fontainebleau, ten zuiden van Parijs, op zoek naar de nieuwst stromingen in de schilderkunst. Hij komt er in contact met Jean François Millet, Camille Corot, Charles Daubigny, stuk voor stuk kunstenaars die Parijs en de beklemmende wetmatigheden van de muffe academies willen inruilen voor de authenticiteit van de natuur.
Broer César de Cock krijgt een muzikale opleiding; hij wordt violist. Gehoorproblemen dwingen hem ertoe van discipline te veranderen en hij trekt naar Xavier in Barbizon. Zijn voorkeur gaat uit naar het schilderen van landschappen, al dan niet met dieren erin, zelden eens een mens – en dan enkel als een keurig vlekje in de natuur. Zo doen het later ook de impressionisten. De werken van Xavier zijn romantischer en vaak idyllisch: fleurige meisjes die de koeien hoeden, alsof dit nu echt een leuke bezigheid zou zijn, kinderen die van deur tot deur de 'Mei' gaan zingen, terwijl dit misschien een veredelde vorm van bedelen was… Kortom, hij brengt wat de burgerij graag zag: een esthetisch geslaagd beeld van een met romantiek verdoezelde realiteit.
De gebroeders De Cock zijn de eersten om zich aan de Leie te vestigen. Met Barbizon in het achterhoofd kiezen ze een onooglijk landelijk dorpje, Deurle. Ze hebben er vrij vlug goede contacten met de gemeentesecretaris Binus van den Abeele, de latere burgemeester van Sint-Martens-Latem, die zowat de centrale figuur wordt – de man die ervoor zorgt dat de kunstenaarskolonie in zijn gemeente onderdak kan vinden. Binus van den Abeele zelf ontpopt zich ook tot een begaafd en fijnzinnig natuurschilder.
Het verwerpen van de bindende academische regels door de jonge generatie kunstenaars leidt natuurlijk tot subjectieve interpretaties. Het gebeurt in Barbizon, het gebeurt in Latem, maar ook in Tervuren bij Brussel, in Duitsland, Engeland, de 'Haagse School', Scandinavië… Het is een Europees verschijnsel, de kunstenaarswereld evolueert volop. Iedereen ervaart de wereld op zijn manier, ziet de natuur op zijn manier; dit wordt de aanzet tot de wereld van de impressionisten.
Een groot trendsetter in de Leiestreek is Emile Claus. Hij is geboren in Sint-Baafs-Vijve, aan de Leie, en vestigt zich later in Astene. Hij begint zijn artistieke loopbaan zoals hij het aangeleerd kreeg in de Gentse Academie: als schilder van sociaal-realistische taferelen met romantische inslag. Omstreeks 1890 komt hij – via Parijs – onder de invloed van de Franse luminist Le Sidaner en dat inspireert hem tot prachtige landschappen. We voelen zo de moderne schilderkunst aankomen: niet zozeer wat hij schildert heeft belang maar hoe hij het schildert, hoe hij zich uitleeft in kleuren en nuances. Zijn toets is de losse pointillistische verfstreep, een techniek die uit Frankrijk komt, maar zijn sfeer is door en door Vlaams, staat meer in de realiteit, is emotioneel gebonden aan zijn Leie. Hoe virtuoos Claus ook te werk gaat, we kunnen hem niet verwijten dat het techniek is of kleur om de kleur. En behoort Claus helemaal niet tot de Latemse School, zijn invloed is zo verpletterend dat velen lang moeten vechten om hun eigen stijl te vinden. Frits van den Berghe, Gust en Léon de Smet, Constant Permeke, Modest Huys, ze beginnen allemaal als Clausfanaten.
Emile Claus zelf bewondert het werk van Xavier de Cock. Dat de bewondering niet wederkerig is, toont aan dat een nieuwe generatie doorbreekt. De Cock verwijt Claus zijn spel met onnatuurlijke blauwe en gele kleuren, juist datgene waarin hij zo vernieuwend blijkt.


De eerste Latemse groep

Het is Binus van de Abeele die erin slaagt een eerste generatie kunstenaars naar Latem te lokken.
Latem is dan nog een en al landelijke rust, primitief boerenleven, met een idyllisch kronkelende Leie langs bossen, weiden, akkers. Eigenlijk kennen die jonge kunstenaars elkaar al van in Gent. Ze komen van dezelfde kunstacademie, zaten 'op kot' in het gewezen Karmelietenklooster, waar ze met het revolutionair anarchisme in contact kwamen. Kunnen we het ons voorstellen, de latere baron Minne op straat met opruiende pamfletten? De zo fijnzinnige Valerius de Saedeleer meebetogend in een waak gewelddadige sociale strijd tegen de wantoestanden in Gent? Ook Herman Teirlinck loopt mee in de stoet van de protesterenden. Dat zij dan toch naar Latem komen, samen met Karel en Gustaaf van de Woestyne en een paar jaar later gevolgd door Albert Servaes, heeft vooral te maken met het feit dat de strijd om puur materiële verbetering hen geen voldoening schenkt. Deze symbolisten zijn op zoek naar geestelijke verdieping; ze doen aan bezinning, lezen Plato en Ruusbroec. Ze komen in bewondering voor de Vlaamse Primitieven, vooral merkbaar is in het werk van Gustaaf van de Woestyne. Meteen keren ze zich af van het speelse luminisme van Emile Claus, dat ze te oppervlakkig vinden. Ze gaan de kleur uitzuiveren en de klemtoon leggen op een streng bestudeerde maar toch ook sierlijke vormgeving, wat hen in de buurt brengt van de art nouveau architectuur van tijdgenoot Victor Horta.


De tweede Latemse groep

Vanaf 1904 komen opnieuw wat Gentenaars, zoals Frits van den Berghe, Gust en Léon de Smet en de Oostendenaar Constant Permeke naar Latem en ontstaat er een nieuwe generatie kunstenaars. Het is een groep vrienden, maar zij missende inspirerende leiding die een eerste generatie wel had. Het zijn aanvankelijk wel epigonen van Emile Claus, ze werken impressionistisch. De enige die wat tussen de beide groepen in zit, is de eigengereide Albert Servaes en precies hij brengt de anderen ertoe om hun koers te wijzigen. In 1909 schildert hij zijn Aardappelrooiers, somber, ruw, maar vol expressie. Meteen heeft Vlaanderen zijn eerste expressionistisch werk. Dat maakt op Permeke zo'n indruk dat hij op dezelfde manier begint te schilderen. De anderen, Léon de Smet uitgezonderd, volgen – ook al blijft het een krampachtig zoeken naar een eigen stijl tot aan de wereldoorlog van 1914.
Wat zich in Latem afspeelt, eind vorige en begin deze eeuw, is natuurlijk geen unicum. Overal in Europa wordt de kunst vernieuwd en volgen de stromingen elkaar in snel tempo op.
Wat de eerste groep realiseert onder de leiding van een inspirerend dichter, Karel van de Woestyne, zien we ook in het Noord-Duitse Worpswede gebeuren onder even inspirerende leiding van de dichter Rainer Maria Rilke. Die Brücke en de nog radicaler beweging Der blaue Reiter, die onze kunstenaars ook gaan beïnvloeden, beklemtonen eveneens de breuklijn in de Duitse kunst in het begin 20ste eeuw. In Antwerpen is er het fauvistisch werk van Rik Wouters en, onder de leiding van de dichter Paul van Ostayen, het expressionisme van Oscar en Floris Jespers. Dit alles wijst erop dat het Latems gebeuren past en een ruime Europese context.



De eerste wereldoorlog betekent ook voor de Latemse kunst een breuk. Claus vlucht naar Londen waar hij nooit zijn draai vindt: de Thames ziet er te grauw uit en de Britten kennen volgens hem niets van kunst. Ook Léon de Smet komt in de Britse hoofdstad terecht. Vlot als hij is, werkt hij zich binnen in Engelse society waar hij portretten maakt van prominenten als G.B. Shaw. Minne en de aan het front gewond geraakte Permeke vinden een onderkomen in Wales. Omdat hij het materiaal niet heeft om te beeldhouwen, maakt Minne er vooral religieus geïnspireerde tekeningen. Via brieven onderhoudt Permeke contact met de vrienden Gust de Smet en Frits van den Berghe. Die leren uit kunsttijdschriften de werken kennen van Duitse expressionisten als Kirchner en Schmidt-Rotluff. Permeke krijgt de reproducties doorgestuurd, zodat ook hij de invloeden uit Duitsland ondergaat.

Eenmaal de oorlog voorbij, keren de kunstenaars geleidelijk naar Vlaanderen terug. Claus blijkt uitgeblust. Léon de Smet gaat even de expressionistische toer op maar stelt vlug vast dat zijn talent het best tot uiting komt met impressionistische toetsen. Gust de Smet brengt kubistische werken, maar dan met de typische Vlaamse zin voor realiteit. Permeke komt nu tot grote prestaties; zijn werken zijn monumentaal, ontroerend en zo menselijk. Hij kent ook succes en bouwt een modernistische woning in Jabbeke. Af en toe is hij in de Leiestreek bij zijn vriend Gust de Smet. Ook Frits van den Berghe schildert monumentale werken, stevig van opbouw en met een kritische visie op de maatschappij. Vanaf 1928 gaat hij weer op zoek naar nieuwe uitdrukkingsvormen; het fantastische komt binnen in zijn werk. Hij heeft Freud en Jung gelezen en daardoor doet zijn later werk sterk surrealistisch aan.
Een beeldhouwer die zich bij deze generatie kunstenaars aansluit, is Jozef Cantré. Het zelfde kubistisch aandoend vormenspel met meestal strakke lijnen en ovalen dat we bij Gust de Smet kunnen vaststellen, typeert zijn werk.
De economische crisis van 1930 en het faillissement van een aantal galerijen brengen een nieuwe slag toe aan de tweede Latemse groep. Het opkomend fascisme en nog een oorlog doen de rest.



De derde Latemse groep. Tot die groep worden gerekend: Hubert Malfait, Albert Saverys, Jozef De Coene, Arthur Deleu, Albert Claeys, Victor Lorein, Achile Van Sassenbroeck, Jules Boulez en Maurice Schelck.
Sommige critici hebben het ook over de 'vierde generatie Latemse schilders' of de 4de "school" met Fons Roggeman, Luc-Peter Crombé, Joe Van Rossem, Chris Pots , Jef Wauters, Lea Vanderstraeten.
De vorming tot "School" dient hierbij sterk gerelativeerd. Ten hoogste ging het om een gezamenlijk dorpsleven, met enige stijltechnische verwantschappen. Zo trokken de eersten het symbolisme in, na 1900, terwijl de tweeden zich als expressionisten uitten, vooral dan na 1914. De derden voelden zich helemaal niet "gegroepeerd". Toch baseerden zij hun meer persoonlijke visie, soms uitgesproken, op de kunst van hun voorgangers. De vierde was samen met de derde ook niet gegroepeerd en kenmerkt zich voornamelijk door zich los te rukken van hun voorgangers, met elk hun eigen stijl zonder te willen afhankelijk zijn van een 'isme'.


Het Design museum Gent.


De Duitse juweelontwerper Hermann Jünger was een van de meest invloedrijke 20ste-eeuwse juweelontwerpers. Hij was een van de pioniers die het juweel een nieuwe status bezorgde.
Hij heeft een enorme invloed uitgeoefend op de ontwikkeling van het avant-garde juweel tot vandaag.
Zijn werk wordt gekenmerkt door een nooit eerder geziene innovatie. Zijn kunst betekende een revolutie voor het moderne juweelontwerp.
"Een baksteen of en stuk roest metaal heeft niet minder waarde of klasse dan een duur uitgewerkt object vervaardigd uit de meest kostbare materialen - op voorwaarde natuurlijk dat beide de kracht en de expressiviteit bezitten van een volledig geslaagde vorm... Gevonden schatten en juwelen samen - verbindingen, parallellen, overeenkomsten: het ene verwijst naar het andere."


100 jaar Demeyere: De kunst van het koken.

"Goed koken is vooral een kwestie van het onder de knie krijgen van een aantal basistechnieken en het gebruik van het aangepaste kookgerei." Dit is het devies van de firma Demeyere, een familiale onderneming opgericht in 1908 en nu gevestigd in Herentals.
Demeyere is een wereldreferentie geworden op het gebied van de fabricatie van culinair kookgerei in roestvrij staal. Gedurende verschillende generaties wist het bedrijf topkwaliteit kookgerei te ontwikkelen;
Naast aangepaste en vernieuwende technologie hecht Demeyere ook veel belang aan de uitstraling van de producten. Kookgerei moet niet alleen efficiënt werken, maar ook mooi en decoratief zijn, zowel in de keuken als op tafel. De voorbije jaren werkte Demeyere daarom samen met nationaal en internationaal erkende designers; het resultaat is knap, stijlvol kookgerei van hoogstaande kwaliteit.
De tentoonstelling brengt een primeur. Meerbepaald de kookpotten die het resultaat zijn van de intense samenwerking met de internationaal gerenommeerde Engelse ontwerper John Pawson.


Vaste Collectie.

De "oude" museumcollecties bevatten vooral 17de- en 18de-eeuws meubilair dat opgesteld staat in de stijlvolle interieurs van het Hotel de Coninck.

Absoluut hoogtepunt is de nog originele eetkamer, waarin de houten kroonluchter, werk van de Gentse beeldhouwer J. F. Allaert, op zijn oorspronkelijke plaats hangt. Andere interieurs zijn versierd met 18de-eeuwse wandschilderingen of zijn bekleed met zijden muurbekledingen. Voor de verlichting wordt gezorgd door meer dan twintig 18de-eeuwse kristallen luchters. Bekende figuren hebben er hun portret aan de muur hangen, zoals de Franse koning Lodewijk XVIII, van wie ook het bureau opgesteld staat tussen de fraaie collectie Franse meubels.

Het Design museum Gent bezit één van de mooiste art nouveau-collecties van het land. Zowel de uitbundige art nouveau met haar florale motieven en vloeiend lijnenspel als de meer constructieve richting van de 1900-stijl worden in de museum-collecties getoond. Belangrijke Belgische kunstenaars zoals Henry van de Velde, Victor Horta, Paul Hankar, Gustave Serrurier-Bovy en Philippe Wolfers vinden er hun plaats naast buitenlandse ontwerpers.

De art deco en de toegepaste kunsten uit het interbellum zijn vertegenwoordigd door o.a. Albert Van huffel, Huib Hoste, Le Corbusier, Emile Lenoble, Jean Sala, Jean Puiforcat, Gabriel Argy-Rousseau, Maurice Marinot, Claudius Linossier, Gaston Eysselinck, Emile Ruhlmann, Chris Lebeau.


De collecties uit de jaren 1970 en 1980 worden gedomineerd door enerzijds de belangrijkste Belgische ontwerpers zoals Pieter De Bruyne en Emiel Veranneman en anderzijds de Italiaanse vormgeving met groepen als Alchimia en Memphis en hun verrassende sculpturale meubels met vrolijke heldere kleuren en grappige decoratieve elementen.

Het Design museum Gent toont ontwerpen van o.a. Alessandro Mendini, Ettore Sottsass, Michele de Lucchi, Massimo Iosa-Ghini, Michael Graves, Marco Zanini, Martine Bedin, Nathalie Du Pasquier, Mateo Thun. Daarnaast werk van vooraanstaande postmodernisten als Hans Hollein, Richard Meier, Aldo Rossi. Van Borek Sipek is belangrijk meubilair, glas en keramiek te zien.

Van eigen bodem zijn realisaties van jonge juweel-, meubel- en keramiekontwerpers tentoongesteld.
COOKIES
Deze website maakt gebruik van cookies.
Dankzij de cookies kunnen wij met Google analytics de site steeds verder verbeteren.
Er worden geen persoonlijke gegevens opgeslagen.

Wilt U Cookies toestaan?