Ferdi behoort met Niki de St. Phalle, Yayoi Kusama, Eva Hesse en Louise Bourgeois tot de eerste generatie vrouwen die een belangrijke plaats in de kunst wisten te veroveren. Ferdi is te jong gestorven om een omvangrijk oeuvre achter te laten. Toch vormen vooral de zogenoemde Hortisculpturen voldoende aanknopingspunten om haar naar voren te schuiven. Naast het feit dat ze een typische swingende, ‘on the road again’ exponent was van haar tijd vormt haar werk een momentum in de toenmalige ideeën omtrent sculptuur. In haar werk paart Ferdi de speelsheid van Niki de St. Phalle aan de conceptuele houding van een Oldenburg in diens soft sculpture. Daardoor wist zij de wereld van textiele vormgeving te ontstijgen. Haar beeldende kracht en haar dwarse, relativerende, verre van academische houding liggen daaraan ten grondslag. Haar Hortisculpturen hebben veel gemeen met het werk van Franse Nouveaux Réalistes als Martial Raysse, Daniel Spoerri en Arman. Hun Europees antwoord op de Pop Art kenmerkt zich door humor, spot, ongecompliceerde vorm- en materiaalbehandeling en bescheiden maat.
De meer dan vijf meter lange, manshoge ‘Dragon Fly’ is zonder twijfel het pièce de résistance uit het oeuvre van Ferdi. In ‘Dragon Fly’ herkennen we Ferdi’s surrealistische fantasiewereld, gevoed en in bedwang gehouden door wat ze op haar reis door Mexico gezien en ervaren heeft, waarbij ze haar neiging tot ‘versieren’ volledig uitleeft zonder het zicht op het geheel uit het oog te verliezen. Wat direct in het oog springt bij ‘Dragon Fly’ is de precaire balans tussen het logge, in pluizerig kunstbont gevatte lijf en monumentale staart en de opwaartse beweging van de fragiele, transparante vleugels. Zes geknakte sprietpoten tillen het gigantische beest ternauwernood van de grond.
Het museum bezit van Ferdi vijf Hortisculpturen (1966-1968) en Damsel Dragonfly (1967)