'Verlust der Mitte'

door Aldo Rossi

Het Bonnefantenmuseum in Maastricht verrijst langs de Maas in een voorstad, die vanouds met de stad verbonden is door de Romeinse brug waaraan de stad haar naam dankt: Trajectum ad Mosam.
 
Typologisch is het museum samengesteld uit drie bouwlichamen, waarvan het middelste uitkomt op een cilindervormig gebouw met een hoge koepel, die bekroond wordt door een belvédère, van waar de rivier en de stad aan de overzijde bewonderd kunnen worden. De middenvleugel wordt doorsneden door een lange, met hout beklede trap. Deze en andere elementen vormen de oorspronkelijke architectonische kern waardoor men wordt herinnerd aan de scheepvaarttraditie van Hollandse steden en de grote rivier die door Maastricht komt en Europa doorkruist.
 

Moeilijk, onbeschrijfbaar zijn de architectuur en de herinnering. Daarom proberen we een persoonlijke en onvermijdelijk fragmentarische beschrijving te geven van onze poging om het museum te beleven. Hiermee ontsnappen we aan de problemen die het woord museum zelf met zich meebrengt in een casuïstiek, die misschien eerder pathologisch dan progressief is. Misschien zullen we uiteindelijk aantonen dat het museum, zoals elk persoonlijk verleden, zoals elke deugd of ondeugd, en zoals alles wat menselijk is, beperkt en besloten is in de maten van een marmeren gedenksteen, die men alleen in de dwaasheid van de verlichting heeft willen vastleggen in meter en centimeters. Dit museum is de verwerping van die dwaasheid.

De eerste ruimte die wordt betreden, is de entree met haar karakteristieke telescopische vorm. De telescoopvorm is een typisch voorbeeld van een Lichtraum waarvan een eerder voorbeeld de Lichthof is van de universiteit in Zürich. Deze vorm is anderzijds niet typisch noordelijk, maar het grootste raakpunt van de Castiliaanse architectuur met die van de koloniën. Zo verbindt een dunne draad de Vlaamse wereld met Spanje, Vermeer met Zurbarán. Het licht van de kloosters vestigt in het monument het kortstondige van het dagelijkse en religieuze leven. Deze ruimte is over haar volle hoogte gekleurd met een hemelse, aquamarijnblauwe materie waar het licht en de kleur van de materialiteit, die ze heeft gevormd, afbreken.

Vanuit de entree komt men direct in het levende en levendige deel van het gebouw. Men betreedt dit leven, de essentie van het museum met schroom en ontzag. Het is moeilijk, bijna onmogelijk om te definiëren waaruit die essentie bestaat. Is het museum een verzameling van herinneringen van het leven of is het zelf onderdeel van ons leven? Onze eigen architectuur schort deze vraag op en wacht op een algemener oordeel. In ieder geval blijft de essentie van het museum het begin en het einde van onze culturele decadentie.

We bestijgen nu de trap. Nutteloos te herhalen hoezeer deze steile en wat ongemakkelijke trap, in Oudhollandse traditie, verbonden is met de gotische wereld van de Shakesperiaanse tavernes, maar ook met de liederlijke personages van Conrad en alle noordelingen die schipbreuk leden in de zuidelijke zeeën.

We hebben geprobeerd de geometrische essentie van dit universum weer te geven, wetende dat er voorbij de geometrie slechts schipbreuk is. En bij een vergelijking tussen e twee grootste zeevarende naties schieten ons weer de verzen van de grote Portugese dichter te binnen: 'Portugal is het land waar het land eindigt en de zee begint'. Verwarren we niet de gebouwen van Macao, van Singapore, van Noord-Japan met die van deze landen, zo Europees en tegelijkertijd zo exotisch?

Aan het eind van de trap, tussen jeugdige overmoedigen en oude vermoeiden, bewonderen we het ruimtelijk inzicht van de directeur. Het gaat hier niet om een 'hemelse' directeur, maar om een ware plaatsbepaler, in staat om de verschillende lagen in de emotie van licht en schoonheid te doorgronden, nooit heeft men in de geschiedenis van de architectuur grote werken gezien die niet ontstaan zijn uit een unieke relatie tussen de bouwheer en de kunstenaar, de bureaucraat en de ingenieur. 

We zullen deze beschrijving niet voortzetten, ook al ligt de oorsprong van de Latijnse literatuur, zoals bij Vergilius, eerder in de beschrijving dan in de inventie. We kunnen niet meer stilstaan bij het lijden van Dido dat al meer dan genoeg beschreven is door de grote Racine.

Laten we daarom enkele facetten bekijken die de bezoeker, hoe gehaast ook, in het geheel zullen treffen. Al zou je de meest simpele ziel van ons continent vragen wat hem het meeste opvalt, dan zul je maar één antwoord krijgen: de koepel. De majestueusiteit van de koepel wordt bepaald door twee hoofdmotieven: ten eerste door zijn connectie met de meest pure architectonische traditie, van de klassieken tot aan de Turijnse architect Alessandro Antonelli; ten tweede is de koepel het 'begin en einde van Nederland' en vormt hij, tussen rivier en zee, een krachtig symbool van de toestand van de Nederlandse topografie. 

Helaas laat de gierige tijd niet toe om alle vooruitstrevende, ontspannende en ernstige aspecten te beschrijven van dit ontwerp, dat niet alleen de wereld van een land, maar ook die van de architectuur opnieuw wil doorlopen. En toch zien we nu, alsof we om de belvédère lopen, het museum in zijn geheel, een geheel dat vermoedelijk teloorgegaan is en dat we alleen herkennen in die fragmenten uit ons leven die verstrengeld zijn met fragmenten uit de kunst en uit het oude Europa.

Aldo Rossi 
juli 1991
Vertaling Juliette Bekkering

COOKIES
Deze website maakt gebruik van cookies. Wilt u cookies toestaan?