William N. Copley
werd in 1919 in New York geboren. Zijn werk is gebaseerd op de tradities van dada en surrealisme, maar ook op de Amerikaanse pop art. Copley studeerde aan de Phillips Academy in Andover, Massachusetts en aan Yale University. Na zijn terugkeer uit de oorlog opende Copley op achtentwintigjarige leeftijd zijn eigen galerie in Los Angeles. Hij wist de kopstukken van het surrealisme over te halen bij hem te exposeren, zoals de Europese kunstenaars René Magritte, Max Ernst, Yves Tanguy en Roberto Matta, en de Amerikanen Joseph Cornell en Man Ray.
Zelf begon William Copley pas eind jaren veertig te schilderen. In 1951 ging hij met Man Ray naar Parijs, waar hij dertien jaar lang in surrealistische kringen verkeerde. In die jaren maakte de kunstenaar talrijke schilderijen met humoristische en ironische verwijzingen naar de surrealistische traditie.
In 1953 richtte William Copley de William and Noma Copley Foundation op, de latere Cassandra Foundation, die kleine beurzen aan kunstenaars verstrekte. Het was ook deze stichting die het laatste werk van Marcel Duchamp, Étant Donnés, aan het Philadelphia Museum of Art schonk. Copley was een van de weinigen die het werk voordien had gezien; Duchamp had er twintig jaar in het geheim aan gewerkt. Copleys terugkeer in New York in 1961 bracht een verandering in zijn werk teweeg. In het midden van de jaren zestig begon hij steeds vaker alledaagse Amerikaanse mythen af te beelden, zoals de western-saloon, en banale onderwerpen als pin-upmeisjes, die hij vol subtiele ironie combineerde met algemeen aanvaarde symbolen.
In 1972 en 1982 hij werd uitgenodigd voor respectievelijk documenta 5 en documenta 7, een bewijs voor de erkenning die hem ten deel viel.
In 1982 verhuisde Copley naar Roxbury in Connecticut en vervolgens naar Key West in Florida, waar hij in 1996 overleed. William N. Copley geldt als een late surrealist en een voorloper van de pop art.