‘Schildersverdriet’, ‘Vreugde waar die niet was’, ‘Wie neem je mee uit rijden Jo’: dit zijn zomaar wat titels van tentoonstellingen en werken van de Sittardse schilder Rik Meijers. ‘Spirituele camp’ noemde een criticus ze ooit. Vanaf 1995, het jaar van zijn eerste solotentoonstelling ‘Superkrachteloos’ in het Bonnefantenmuseum, bouwt Meijers gestaag aan een weerbarstig oeuvre met een zeer persoonlijke ondertoon.
Het eerste wat opvalt is Meijers’ voorkeur voor ongebruikelijke materialen. Niet zelden treft men op zijn doeken vogelzaad, donsveertjes, teer, zegellak, plastic en kroonkurken aan, tot zelfs stukgeslagen flessenbodems en flessenhalzen aan toe. Zijn schilderijen ogen als collages en de keuze van materialen lijkt vaak letterlijk samen te vallen met het onderwerp.
Maffe typetjes en archaïsche figuren bevolken zijn doeken. Zoals religieuze beelden vaak ingelegd zijn met edelstenen en beschilderd met goudverf zo versiert Meijers zijn portretten. Het werk roept velerlei associaties op, van byzantijnse iconen, via platenhoezen tot aan het dorpscafé van zijn grootouders. Volkswijsheden, kitsch en het banale vinden bij Meijers liefdevol onderdak in motieven en gezichtsuitdrukkingen die refereren aan het hogere en spirituele.
Het museum bezit een tiental schilderijen (1996-2006) en een reeks werken op papier (1997-2001).