Dossier - Patrick Van Caeckenbergh
< Terug

Patrick Van Caeckenbergh
1960, Aalst - St. Kornelis-Horebeke

Het postmoderne denken luidde begin jaren tachtig het einde in van alle ‘grote verhalen’. In plaats van een universele taal zochten kunstenaars vanaf dat moment naar meer subjectieve, autobiografische, ‘kleine’ invalshoeken die uit de ‘ruïne’ van de grote verhalen opgericht werden. Binnen deze filosofische context neemt Van Caeckenbergs zorgvuldig opgebouwde privé-kosmologie een bijzondere plaats in. In zijn sculpturen, collages en handgemaakte boeken probeert Van Caeckenbergh op een uiterst persoonlijk-obsessieve manier zoiets universeels als de wereld in kaart te brengen en te herschikken. In zijn poging het toeval en de ondoorzichtigheid te benaderen waarmee de natuur te werk gaat speelt het bricoleren en recyclen een cruciale rol. Zijn lichtend voorbeeld daarbij is de Franse dichter-filosoof Paul Valéry en diens onvertuiging dat er in de natuur eindeloos veel processen bestaan die mooier, mysterieuzer, harmonischer, maar tegelijkertijd ook inventiever, effectiever en intelligenter zijn dan de processen die mensen door middel van het rationele denken op gang weten te brengen.
De sculptuur ‘Het Steentje’ (1998) thematiseert het moeizame evenwicht tussen de ambities van de kunstenaar enerzijds en de verwachtingen van de buitenwereld anderzijds. Het met jodium ingewreven werk van ongebakken klei heeft de vorm van een omgekeerde baarmoeder. De sculptuur staat voor het terugtrekken uit de (kunst)wereld en de terugkeer naar de oervorm van het leven. Zeven met bies afgezette openingen – een verwijzing naar de zeven menselijke lichaamsopeningen - verbinden ‘Het Steentje’ met zeven grote collages die de wereld binnenstebuiten tonen. Deze collages waarin, als in een alternatieve ecologie, de aardbol de vorm aanneemt van een kont met mond en anus, zijn op hun beurt weer verbonden met zeven sculpturen (1997) - waarvan het museum er vier bezit – die titels dragen als ‘Monsieur Teste’ ‘Bouvard et Pécuchet’ en ‘Tante Gusta’. Ze zijn nog het best te omschrijven als beschilderde en versierde theepotdieren op klompen. De provisorische staat van de sculpturen - ze zijn eveneens van ongebakken klei-  is een verwijzing naar de tijdelijkheid en fragiliteit van alles wat waardevol is en het vermogen verandering te incorporeren in het ontstaansproces. De titels verwijzen naar door Van Caeckenbergh bewonderde (fictieve) personen uit de filosofie en literatuur, maar ook naar zijn geliefde tante Gusta.
Het museum bezit daarnaast een serie collages getiteld: ‘De Anatomische Les in dertien taferelen’(2000).
De anatomische les in 13 taferelen, 2000

Afbeeldingen
Collectie Bonnefantenmuseum
De anatomische les in 13 taferelen, 2000
Kardinaal Pölätüo, 1997
Monsieur Teste, 1997
Vorst Myschkin, 1997
Vorst Myschkin, 1997
Kardinaal Pölätüo, 1997
Bouvard & Pécuchet, 1997
Tent met Monsieur Teste, Vorst Myschkin, Kardinaal Pölätüo en Bouvard & Pécuchet, 1997
Monsieur Teste, 1997
Bouvard & Pécuchet, 1997
Het Steentje, 1998-1999